Le Trapèze, Amiens 1999

Invite for the journey /
Uitnodiging voor de reis

Ad Himmelreich 1999/2001

Tijdens haar opleiding beeldhouwen richtte Karin van Dam zich meer en meer op het tekenen. Sinds die tijd staat het tekenen voor haar gelijk aan haar ruimtelijke werk. Sterker: de monumentale installatie, die zij in 1999 in Le Trapèze in Amiens realiseerde, beschouwt Karin van Dam als een "tekening". Dit is geen filosofische benadering maar het resultaat van haar directe werkwijze , waarin de keuze voor gemakkelijk te manipuleren materialen aansluit bij het soepele en onmiddellijke van het tekenen. Het aardse karakter van de installatie (of zou men hier mogen zeggen: het "betekenen van ruimte"?) neemt niet weg dat het geheel toch "onaanraakbaar" blijft, d.w.z. de kijker op afstand houdt. Door de nadruk te leggen op beide eigenschappen van de "tekening" (een ding tussen alle dingen en tegelijk een autonoom beeld), haalt Karin van Dam op haar manier de angel uit het probleem van de scheiding tussen een materiële en een spirituele wereld. In het bijzonder doel ik hierbij op het dualisme dat van oudsher de puriteinse Noordelijke cultuur beheerst. In de loop van de jaren zijn de tekeningen van hun oorspronkelijke ondergrond het papier los geraakt en in stukken uiteengevallen: zij werden "ruimte".
De impact die wij bij haar installaties ervaren, zit hem misschien in het voelbare verschil tussen dat wat wij zien (een samenhangende hoeveelheid vormen passend bij een gegeven vaste ruimte) en dat wat wij weten (het vluchtige en meervoudige karakter van de installatie). Deze spanning wordt gevoed door een wisselwerking tussen methode en moed, tussen intimiteit en afstand.

Volgt hier een chronologische beschrijving van de werken: Na een reeks tekeningen op papier met pastel of met donkerbruin, grijs en zwart krijt, begon Karin van Dam begin jaren '90 driedimensionale tekeningen te maken. Uitkijkpost (1995) en Timbaaltje voor vijf delen stad (1996) bijv. zijn uit zwartgemaakt papier gesneden ovalen, die los van hun achtergrond in diepe kaders achter glas zijn ingelijst. Hun kleine formaat past bij de intieme relatie tussen de kunstenaar en het ding. Deze "beelden" krijgen diepte door het reliëf op de witte achtergrond, terwijl het zwarte pigment, dat met de hand op het ovaal is aangebracht, alle licht absorbeert. In 1996 en 1997 maakte Karin van Dam kleine ruimtelijke constructies, die zij aan de muur of het plafond ophing. Deze Reizende steden bestonden uit zwartgemaakt papier, polystyreen en fluweel; sommige hiervan zijn voorzien van een touwladdertje, grote ovale ringen, stokjes, koorden, ijzerdraad, wol of kippengaas. Ditmaal waren de met zwart pigment bedekte voorwerpen niet door kastjes beschermd. Zij oogden duidelijk teer en gaven de indruk tussen hemel en aarde te zweven.
In de zomer van 1997 maakte Karin van Dam in Kunstcentrum De Begane Grond in Utrecht haar eerste installatie. De ondergrond van de "tekening" was nu de tentoonstellingsruimte zelf. Voor onze ogen uitvouwde zich een dichte massa ovalen van met zuiver pigment zwart gemaakt papier, aan touwen opgehangen stokken, isolatiemateriaal en rollen schuimplastic. Dit levendige geheel werd door diverse elementen bijeengehouden: schroeven, draden en koorden, waarvan ook de niet gebruikte zichtbaar bleven als getuigen van eerdere twijfels en koerswijzigingen. Deze "tekening", die van achteren naar voren toe is opgebouwd uit opeenvolgende lagen, lijkt aan te sluiten bij een artistiek genre ergens tussen de Merzbau van Kurt Schwitters en de Fictions van Jessica Stockholder.
Vóór de ovaal, die nu alles overheerste, was er de in perspectief getekende cirkel en het verlangen de wet van de zwaartekracht te omzeilen. En behalve de niet-kleur zwart van zuiver pigment, was er nu ook de gekleurde textuur van ander materiaal binnen de installatie.
Kort hierna exposeerde Karin van Dam in het Künstlerhaus in Dortmund. Ondanks de toepassing van dezelfde werkwijze en veel van dezelfde vormen als in Utrecht, was het esthetische resultaat toch anders; elke installatie komt tenslotte ter plekke tot stand en voegt zich naar de aard en geschiedenis van de betreffende ruimte.
Van 1998 tot 1999 verbleef Karin van Dam in het Atelier Holsboer in de Cité internationale des Arts in Parijs. Met tekeningen en schaalmodellen concipieerde zij een project voor de Tour Saint-Jacques op de Place du Châtelet, ooit een belangrijk vertrekpunt voor pelgrims naar Santiago de Compostela. Het ruimtelijke uitgangspunt was hier omgekeerd. In plaats van binnenin een ruimte, bouwde zij nu een geheel van vormen rondom een architectonisch volume: positief en negatief uitgesneden ovalen en slierten emmers, draineerbuizen en andere gebruiksvoorwerpen uit de bouw. In dit concept werden ook de bouwsteigers rond het volume, met het gekleurde plastic beschermgaas, integraal opgenomen.

Op uitnodiging van de stad Parijs werden onderhandelingen gevoerd over mogelijke realisatie van dit project tijdens de aangekondigde restauratie van de toren.(Het project werd wegens de voor begin 2001 geplande burgemeestersverkiezingen tot nader order uitgesteld.) Maar het idee kon wel meteen in Nederland worden toegepast, en wel op het dak van de Buurkerk in Utrecht.
De robuuste toren diende als ondergrond voor de "tekening". Dit werk, getiteld Quartier du vent, werd uitgevoerd in het kader van de manifestatie "Panorama 2000" tijdens de zomer van 1999. Deze presentatie in de openlucht ging uit van de gedachte, dat de bezoeker het werk alleen zou kunnen bezichtigen vanaf de drie niveaus van de Domtoren en er dus drie verschillende gezichtspunten waren. De door Karin van Dam gewenste distantie tot het werk werd hier gewaarborgd door de letterlijke afstand tussen de twee historische bouwwerken. De "fragiliteit" van het werk bleef echter voelbaar in het contrast met de architectuur. Het gebruik van bouwmaterialen in de historische context van een stad, die voortdurend in verandering is, sloot aan bij het tijdelijke karakter van de installatie.

Bij wijze van contrast presenteerde Karin van Dam kort hierna een installatie in een witte ruimte, zonder daarbij de muren en plafonds te bewerken. Zoals gebruikelijk paste zij onderdelen toe van eerdere installaties. Maar hier werden de ovalen deels vervangen door opvouwbare zwarte autozonneschermen, die aan het geheel een halfdoorschijnend karakter gaven. Andere elementen als de geprefabriceerde zwarte, grillig gevormde zwembadjes en de kinderkampeertenten, die in paren aan elkaar gezet een soort cocons vormden, riepen het nomadische karakter op van haar werk.

Behendig verwerkt Karin van Dam in haar werken onderling tegengestelde zaken tot een mengeling van concrete en fictieve ruimte- en tijdservaring; elke "tekening", elke installatie, is zowel nomadisch als sedentair, leidt een dubbelleven. Zij is architect van "gedroomde steden", die op hun verdere reis bij elke stop veranderen van aanzicht en identiteit.
Op de achtergrond van dit werk spelen beslissende persoonlijke voorkeuren van de kunstenaar: hetzij de verbeelde steden van Italo Calvino in zijn werk Le città invisibile (Onzichtbare steden) hetzij werkelijke locaties als de Toscaanse steden, die hun middeleeuwse gesloten toestand nauwlettend hebben bewaard of grote steden als Parijs, die tegelijk hun historisch cultuurgoed cultiveren als in volle expansie zijn.
Gaat het hier om een romantisch "verlangen naar het Zuiden", een verlangen om op te gaan in de grootsheid van de wereld of verwijst dit werk misschien toch naar gevoelens, die normaal zijn voor bewoners van een klein overbevolkt land als Nederland? Dubbel verlangen van een vrouw, om zowel te kunnen hoeden over haard en tradities als vrij te zijn tegenover elke opgelegde autoriteit of structuur? In heel haar handelen lijkt Karin van Dam gedreven te worden door honger naar ontdekking,door nieuwsgierigheid naar de ander en de opdracht nieuwe werelden te bouwen. In haar werk overheerst de overgangsvorm van het ovaal en de niet-kleur zwart; men zou hieruit kunnen vaststellen dat alles hier eigenlijk verwijst naar één zelfde kerngedachte : het verlangen, dat zich blijvend verplaatst en in die zin wel als metafoor zou kunnen dienen voor de winden, die vrijwel ononderbroken de Nederlandse hemel beheersen.
Dit verlangen richt zich a priori op een kritische synthese tussen scheppend handelen en de sporen van de geschiedenis. De kunstenaar vindt hier aansluiting bij een moderne traditie, waarin de mens, op grond van al het bestaande, utopieën heeft bedacht voor een betere, in principe altijd verder afgelegen wereld.
Maar anders dan de meeste utopieën, vinden deze installaties, doorheen hun meervoudige samenstelling, hun eenheid in de reële tijd. De reis, die het werk van Karin van Dam onderneemt, voltrekt zich daarbij niet langs een rechte lijn, volgens het traditionele vooruitgangsidee, maar in een omtrekkende beweging om haarzelf en om ieder van ons heen, die ook emotionele en sociale waarden tot hun recht brengt.
Wij vinden dit terug in de publicatie Quartier sous le vent, die Karin van Dam na afloop van haar Parijse verblijf uitgaf. In plaats van beelden met verklarende tekst, biedt deze uitgave, zowel qua vorm als qua inhoud, een tastbare weerslag van haar inspiratiebronnen en haar werkwijze.


(Bewerkte vertaling van de oorspronkelijk Franse tekst, geschreven voor de tentoonstellings-catalogus Contacts : Karin van Dam, Patrice Hamel, Olivier Nottelet, Jean de Piépape, Le Trapèze, Université de Picardie, Amiens, 1999)