|
Tijdens haar
opleiding beeldhouwen richtte Karin van Dam zich meer en meer op het tekenen.
Sinds die tijd staat het tekenen voor haar gelijk aan haar ruimtelijke
werk. Sterker: de monumentale installatie, die zij in 1999 in Le Trapèze
in Amiens realiseerde, beschouwt Karin van Dam als een "tekening".
Dit is geen filosofische benadering maar het resultaat van haar directe
werkwijze , waarin de keuze voor gemakkelijk te manipuleren materialen
aansluit bij het soepele en onmiddellijke van het tekenen. Het aardse
karakter van de installatie (of zou men hier mogen zeggen: het "betekenen
van ruimte"?) neemt niet weg dat het geheel toch "onaanraakbaar"
blijft, d.w.z. de kijker op afstand houdt. Door de nadruk te leggen op
beide eigenschappen van de "tekening" (een ding tussen alle
dingen en tegelijk een autonoom beeld), haalt Karin van Dam op haar manier
de angel uit het probleem van de scheiding tussen een materiële en
een spirituele wereld. In het bijzonder doel ik hierbij op het dualisme
dat van oudsher de puriteinse Noordelijke cultuur beheerst. In de loop
van de jaren zijn de tekeningen van hun oorspronkelijke ondergrond het
papier los geraakt en in stukken uiteengevallen: zij werden "ruimte".
De impact
die wij bij haar installaties ervaren, zit hem misschien in het voelbare
verschil tussen dat wat wij zien (een samenhangende hoeveelheid vormen
passend bij een gegeven vaste ruimte) en dat wat wij weten (het vluchtige
en meervoudige karakter van de installatie). Deze spanning wordt gevoed
door een wisselwerking tussen methode en moed, tussen intimiteit en afstand.
Volgt hier
een chronologische beschrijving van de werken: Na een reeks tekeningen
op papier met pastel of met donkerbruin, grijs en zwart krijt, begon Karin
van Dam begin jaren '90 driedimensionale tekeningen te maken. Uitkijkpost
(1995) en Timbaaltje voor vijf delen stad (1996) bijv. zijn uit zwartgemaakt
papier gesneden ovalen, die los van hun achtergrond in diepe kaders achter
glas zijn ingelijst. Hun kleine formaat past bij de intieme relatie tussen
de kunstenaar en het ding. Deze "beelden" krijgen diepte door
het reliëf op de witte achtergrond, terwijl het zwarte pigment, dat
met de hand op het ovaal is aangebracht, alle licht absorbeert. In 1996
en 1997 maakte Karin van Dam kleine ruimtelijke constructies, die zij
aan de muur of het plafond ophing. Deze Reizende steden bestonden uit
zwartgemaakt papier, polystyreen en fluweel; sommige hiervan zijn voorzien
van een touwladdertje, grote ovale ringen, stokjes, koorden, ijzerdraad,
wol of kippengaas. Ditmaal waren de met zwart pigment bedekte voorwerpen
niet door kastjes beschermd. Zij oogden duidelijk teer en gaven de indruk
tussen hemel en aarde te zweven.
In de zomer van 1997 maakte Karin van Dam in Kunstcentrum De Begane Grond
in Utrecht haar eerste installatie. De ondergrond van de "tekening"
was nu de tentoonstellingsruimte zelf. Voor onze ogen uitvouwde zich een
dichte massa ovalen van met zuiver pigment zwart gemaakt papier, aan touwen
opgehangen stokken, isolatiemateriaal en rollen schuimplastic. Dit levendige
geheel werd door diverse elementen bijeengehouden: schroeven, draden en
koorden, waarvan ook de niet gebruikte zichtbaar bleven als getuigen van
eerdere twijfels en koerswijzigingen. Deze "tekening", die van
achteren naar voren toe is opgebouwd uit opeenvolgende lagen, lijkt aan
te sluiten bij een artistiek genre ergens tussen de Merzbau van Kurt Schwitters
en de Fictions van Jessica Stockholder.
Vóór de ovaal, die nu alles overheerste, was er de in perspectief
getekende cirkel en het verlangen de wet van de zwaartekracht te omzeilen.
En behalve de niet-kleur zwart van zuiver pigment, was er nu ook de gekleurde
textuur van ander materiaal binnen de installatie.
Kort hierna exposeerde Karin van Dam in het Künstlerhaus in Dortmund.
Ondanks de toepassing van dezelfde werkwijze en veel van dezelfde vormen
als in Utrecht, was het esthetische resultaat toch anders; elke installatie
komt tenslotte ter plekke tot stand en voegt zich naar de aard en geschiedenis
van de betreffende ruimte.
Van 1998 tot 1999 verbleef Karin van Dam in het Atelier Holsboer in de
Cité internationale des Arts in Parijs. Met tekeningen en schaalmodellen
concipieerde zij een project voor de Tour Saint-Jacques op de Place du
Châtelet, ooit een belangrijk vertrekpunt voor pelgrims naar Santiago
de Compostela. Het ruimtelijke uitgangspunt was hier omgekeerd. In plaats
van binnenin een ruimte, bouwde zij nu een geheel van vormen rondom een
architectonisch volume: positief en negatief uitgesneden ovalen en slierten
emmers, draineerbuizen en andere gebruiksvoorwerpen uit de bouw. In dit
concept werden ook de bouwsteigers rond het volume, met het gekleurde
plastic beschermgaas, integraal opgenomen.
Op uitnodiging
van de stad Parijs werden onderhandelingen gevoerd over mogelijke realisatie
van dit project tijdens de aangekondigde restauratie van de toren.(Het
project werd wegens de voor begin 2001 geplande burgemeestersverkiezingen
tot nader order uitgesteld.) Maar het idee kon wel meteen in Nederland
worden toegepast, en wel op het dak van de Buurkerk in Utrecht.
De robuuste
toren diende als ondergrond voor de "tekening". Dit werk, getiteld
Quartier du vent, werd uitgevoerd in het kader van de manifestatie "Panorama
2000" tijdens de zomer van 1999. Deze presentatie in de openlucht
ging uit van de gedachte, dat de bezoeker het werk alleen zou kunnen bezichtigen
vanaf de drie niveaus van de Domtoren en er dus drie verschillende gezichtspunten
waren. De door Karin van Dam gewenste distantie tot het werk werd hier
gewaarborgd door de letterlijke afstand tussen de twee historische bouwwerken.
De "fragiliteit" van het werk bleef echter voelbaar in het contrast
met de architectuur. Het gebruik van bouwmaterialen in de historische
context van een stad, die voortdurend in verandering is, sloot aan bij
het tijdelijke karakter van de installatie.
Bij wijze van
contrast presenteerde Karin van Dam kort hierna een installatie in een
witte ruimte, zonder daarbij de muren en plafonds te bewerken. Zoals gebruikelijk
paste zij onderdelen toe van eerdere installaties. Maar hier werden de
ovalen deels vervangen door opvouwbare zwarte autozonneschermen, die aan
het geheel een halfdoorschijnend karakter gaven. Andere elementen als
de geprefabriceerde zwarte, grillig gevormde zwembadjes en de kinderkampeertenten,
die in paren aan elkaar gezet een soort cocons vormden, riepen het nomadische
karakter op van haar werk.
Behendig verwerkt
Karin van Dam in haar werken onderling tegengestelde zaken tot een mengeling
van concrete en fictieve ruimte- en tijdservaring; elke "tekening",
elke installatie, is zowel nomadisch als sedentair, leidt een dubbelleven.
Zij is architect van "gedroomde steden", die op hun verdere
reis bij elke stop veranderen van aanzicht en identiteit.
Op de achtergrond van dit werk spelen beslissende persoonlijke voorkeuren
van de kunstenaar: hetzij de verbeelde steden van Italo Calvino in zijn
werk Le città invisibile (Onzichtbare steden) hetzij werkelijke
locaties als de Toscaanse steden, die hun middeleeuwse gesloten toestand
nauwlettend hebben bewaard of grote steden als Parijs, die tegelijk hun
historisch cultuurgoed cultiveren als in volle expansie zijn.
Gaat het hier om een romantisch "verlangen naar het Zuiden",
een verlangen om op te gaan in de grootsheid van de wereld of verwijst
dit werk misschien toch naar gevoelens, die normaal zijn voor bewoners
van een klein overbevolkt land als Nederland? Dubbel verlangen van een
vrouw, om zowel te kunnen hoeden over haard en tradities als vrij te zijn
tegenover elke opgelegde autoriteit of structuur? In heel haar handelen
lijkt Karin van Dam gedreven te worden door honger naar ontdekking,door
nieuwsgierigheid naar de ander en de opdracht nieuwe werelden te bouwen.
In haar werk overheerst de overgangsvorm van het ovaal en de niet-kleur
zwart; men zou hieruit kunnen vaststellen dat alles hier eigenlijk verwijst
naar één zelfde kerngedachte : het verlangen, dat zich blijvend
verplaatst en in die zin wel als metafoor zou kunnen dienen voor de winden,
die vrijwel ononderbroken de Nederlandse hemel beheersen.
Dit verlangen
richt zich a priori op een kritische synthese tussen scheppend handelen
en de sporen van de geschiedenis. De kunstenaar vindt hier aansluiting
bij een moderne traditie, waarin de mens, op grond van al het bestaande,
utopieën heeft bedacht voor een betere, in principe altijd verder
afgelegen wereld.
Maar anders dan de meeste utopieën, vinden deze installaties, doorheen
hun meervoudige samenstelling, hun eenheid in de reële tijd. De reis,
die het werk van Karin van Dam onderneemt, voltrekt zich daarbij niet
langs een rechte lijn, volgens het traditionele vooruitgangsidee, maar
in een omtrekkende beweging om haarzelf en om ieder van ons heen, die
ook emotionele en sociale waarden tot hun recht brengt.
Wij vinden dit terug in de publicatie Quartier sous le vent, die Karin
van Dam na afloop van haar Parijse verblijf uitgaf. In plaats van beelden
met verklarende tekst, biedt deze uitgave, zowel qua vorm als qua inhoud,
een tastbare weerslag van haar inspiratiebronnen en haar werkwijze.
(Bewerkte vertaling
van de oorspronkelijk Franse tekst, geschreven voor de tentoonstellings-catalogus
Contacts : Karin van Dam, Patrice Hamel, Olivier Nottelet, Jean de Piépape,
Le Trapèze, Université de Picardie, Amiens, 1999)
|