|
|
Adriaan Himmelreich
Invite for the journey / Uitnodiging voor de reis
|
Tijdens haar opleiding beeldhouwen richtte Karin van Dam zich meer en
meer op het tekenen. Sinds die tijd staat het tekenen voor haar gelijk
aan haar ruimtelijke werk. Sterker: de monumentale installatie, die
zij in 1999 in Le Trapèze in Amiens realiseerde, beschouwt Karin van
Dam als een 'tekening'. Dit is geen filosofische benadering maar het
resultaat van haar directe werkwijze , waarin de keuze voor
gemakkelijk te manipuleren materialen aansluit bij het soepele en
onmiddellijke van het tekenen. Het aardse karakter van de installatie
(of zou men hier mogen zeggen: het 'betekenen van ruimte'?) neemt niet
weg dat het geheel toch 'onaanraakbaar' blijft, dat wil zeggen de kijker op
afstand houdt. Door de nadruk te leggen op beide eigenschappen van de
"tekening" (een ding tussen alle dingen en tegelijk een autonoom
beeld), haalt Karin van Dam op haar manier de angel uit het probleem
van de scheiding tussen een materiële en een spirituele wereld. In het
bijzonder doel ik hierbij op het dualisme dat van oudsher de
puriteinse Noordelijke cultuur beheerst. In de loop van de jaren zijn
de tekeningen van hun oorspronkelijke ondergrond het papier los
geraakt en in stukken uiteengevallen: zij werden "ruimte".
De impact die wij bij haar installaties ervaren, zit hem misschien in
het voelbare verschil tussen dat wat wij zien (een samenhangende
hoeveelheid vormen passend bij een gegeven vaste ruimte) en dat wat
wij weten (het vluchtige en meervoudige karakter van de installatie).
Deze spanning wordt gevoed door een wisselwerking tussen methode en
moed, tussen intimiteit en afstand.
Volgt hier een chronologische beschrijving van de werken: Na een reeks
tekeningen op papier met pastel of met donkerbruin, grijs en zwart
krijt, begon Karin van Dam begin jaren '90 driedimensionale tekeningen
te maken. Uitkijkpost (1995) en Timbaaltje voor vijf delen stad (1996)
bijv. zijn uit zwartgemaakt papier gesneden ovalen, die los van hun
achtergrond in diepe kaders achter glas zijn ingelijst. Hun kleine
formaat past bij de intieme relatie tussen de kunstenaar en het ding.
Deze "beelden" krijgen diepte door het reliëf op de witte achtergrond,
terwijl het zwarte pigment, dat met de hand op het ovaal is
aangebracht, alle licht absorbeert. In 1996 en 1997 maakte Karin van
Dam kleine ruimtelijke constructies, die zij aan de muur of het
plafond ophing. Deze Reizende steden bestonden uit zwartgemaakt
papier, polystyreen en fluweel; sommige hiervan zijn voorzien van een
touwladdertje, grote ovale ringen, stokjes, koorden, ijzerdraad, wol
of kippengaas. Ditmaal waren de met zwart pigment bedekte voorwerpen
niet door kastjes beschermd. Zij oogden duidelijk teer en gaven de
indruk tussen hemel en aarde te zweven.
In de zomer van 1997 maakte Karin van Dam in Kunstcentrum De Begane
Grond in Utrecht haar eerste installatie. De ondergrond van de
"tekening" was nu de tentoonstellingsruimte zelf. Voor onze ogen
uitvouwde zich een dichte massa ovalen van met zuiver pigment zwart
gemaakt papier, aan touwen opgehangen stokken, isolatiemateriaal en
rollen schuimplastic. Dit levendige geheel werd door diverse elementen
bijeengehouden: schroeven, draden en koorden, waarvan ook de niet
gebruikte zichtbaar bleven als getuigen van eerdere twijfels en
koerswijzigingen. Deze "tekening", die van achteren naar voren toe is
opgebouwd uit opeenvolgende lagen, lijkt aan te sluiten bij een
artistiek genre ergens tussen de Merzbau van Kurt Schwitters en de
Fictions van Jessica Stockholder.
Vóór de ovaal, die nu alles overheerste, was er de in perspectief
getekende cirkel en het verlangen de wet van de zwaartekracht te
omzeilen. En behalve de niet-kleur zwart van zuiver pigment, was er nu
ook de gekleurde textuur van ander materiaal binnen de installatie.
Kort hierna exposeerde Karin van Dam in het Künstlerhaus in Dortmund.
Ondanks de toepassing van dezelfde werkwijze en veel van dezelfde
vormen als in Utrecht, was het esthetische resultaat toch anders; elke
installatie komt tenslotte ter plekke tot stand en voegt zich naar de
aard en geschiedenis van de betreffende ruimte.
Van 1998 tot 1999 verbleef Karin van Dam in het Atelier Holsboer in de
Cité internationale des Arts in Parijs. Met tekeningen en
schaalmodellen concipieerde zij een project voor de Tour Saint-Jacques
op de Place du Châtelet, ooit een belangrijk vertrekpunt voor pelgrims
naar Santiago de Compostela. Het ruimtelijke uitgangspunt was hier
omgekeerd. In plaats van binnenin een ruimte, bouwde zij nu een geheel
van vormen rondom een architectonisch volume: positief en negatief
uitgesneden ovalen en slierten emmers, draineerbuizen en andere
gebruiksvoorwerpen uit de bouw. In dit concept werden ook de
bouwsteigers rond het volume, met het gekleurde plastic beschermgaas,
integraal opgenomen.
Op uitnodiging van de stad Parijs werden onderhandelingen gevoerd over
mogelijke realisatie van dit project tijdens de aangekondigde
restauratie van de toren.(Het project werd wegens de voor begin 2001
geplande burgemeestersverkiezingen tot nader order
uitgesteld.) Maar het idee kon wel meteen in Nederland worden
toegepast, en wel op het dak van de Buurkerk in Utrecht.
De robuuste toren diende als ondergrond voor de "tekening". Dit werk,
getiteld Quartier du vent, werd uitgevoerd in het kader van de
manifestatie "Panorama 2000" tijdens de zomer van 1999. Deze
presentatie in de openlucht ging uit van de gedachte, dat de bezoeker
het werk alleen zou kunnen bezichtigen vanaf de drie niveaus van de
Domtoren en er dus drie verschillende gezichtspunten waren. De door
Karin van Dam gewenste distantie tot het werk werd hier gewaarborgd
door de letterlijke afstand tussen de twee historische bouwwerken. De
"fragiliteit" van het werk bleef echter voelbaar in het contrast met
de architectuur. Het gebruik van bouwmaterialen in de historische
context van een stad, die voortdurend in verandering is, sloot aan bij
het tijdelijke karakter van de installatie.
Bij wijze van contrast presenteerde Karin van Dam kort hierna een
installatie in een witte ruimte, zonder daarbij de muren en plafonds
te bewerken. Zoals gebruikelijk paste zij onderdelen toe van eerdere
installaties. Maar hier werden de ovalen deels vervangen door
opvouwbare zwarte autozonneschermen, die aan het geheel een
halfdoorschijnend karakter gaven. Andere elementen als de
geprefabriceerde zwarte, grillig gevormde zwembadjes en de
kinderkampeertenten, die in paren aan elkaar gezet een soort cocons
vormden, riepen het nomadische karakter op van haar werk.
Behendig verwerkt Karin van Dam in haar werken onderling tegengestelde
zaken tot een mengeling van concrete en fictieve ruimte- en
tijdservaring; elke "tekening", elke installatie, is zowel nomadisch
als sedentair, leidt een dubbelleven. Zij is architect van "gedroomde
steden", die op hun verdere reis bij elke stop veranderen van aanzicht
en identiteit.
Op de achtergrond van dit werk spelen beslissende persoonlijke
voorkeuren van de kunstenaar: hetzij de verbeelde steden van Italo
Calvino in zijn werk Le città invisibile (Onzichtbare steden) hetzij
werkelijke locaties als de Toscaanse steden, die hun middeleeuwse
gesloten toestand nauwlettend hebben bewaard of grote steden als
Parijs, die tegelijk hun historisch cultuurgoed cultiveren als in
volle expansie zijn.
Gaat het hier om een romantisch "verlangen naar het Zuiden", een
verlangen om op te gaan in de grootsheid van de wereld of verwijst dit
werk misschien toch naar gevoelens, die normaal zijn voor bewoners van
een klein overbevolkt land als Nederland? Dubbel verlangen van een
vrouw, om zowel te kunnen hoeden over haard en tradities als vrij te
zijn tegenover elke opgelegde autoriteit of structuur? In heel haar
handelen lijkt Karin van Dam gedreven te worden door honger naar
ontdekking, door nieuwsgierigheid naar de ander en de opdracht nieuwe
werelden te bouwen. In haar werk overheerst de overgangsvorm van het
ovaal en de niet-kleur zwart; men zou hieruit kunnen vaststellen dat
alles hier eigenlijk verwijst naar één zelfde kerngedachte: het
verlangen, dat zich blijvend verplaatst en in die zin wel als metafoor
zou kunnen dienen voor de winden, die vrijwel ononderbroken de
Nederlandse hemel beheersen.
Dit verlangen richt zich a priori op een kritische synthese tussen
scheppend handelen en de sporen van de geschiedenis. De kunstenaar
vindt hier aansluiting bij een moderne traditie, waarin de mens, op
grond van al het bestaande, utopieën heeft bedacht voor een betere, in
principe altijd verder afgelegen wereld.
Maar anders dan de meeste utopieën, vinden deze installaties, doorheen
hun meervoudige samenstelling, hun eenheid in de reële tijd. De reis,
die het werk van Karin van Dam onderneemt, voltrekt zich daarbij niet
langs een rechte lijn, volgens het traditionele vooruitgangsidee, maar
in een omtrekkende beweging om haarzelf en om ieder van ons heen, die
ook emotionele en sociale waarden tot hun recht brengt.
Wij vinden dit terug in de publicatie 'Quartier sous le vent', die Karin
van Dam na afloop van haar Parijse verblijf uitgaf. In plaats van
beelden met verklarende tekst, biedt deze uitgave, zowel qua vorm als
qua inhoud, een tastbare weerslag van haar inspiratiebronnen en haar
werkwijze.
Bewerkte vertaling van de oorspronkelijk Franse tekst, geschreven
voor de tentoonstellingscatalogus 'Contacts: Karin van Dam, Patrice
Hamel, Olivier Nottelet, Jean de Piépape,' Le Trapèze, Université de
Picardie, Amiens, 1999
|
Bewerkte vertaling van de oorspronkelijk Franse tekst, geschreven
voor de tentoonstellingscatalogus 'Contacts: Karin van Dam, Patrice
Hamel, Olivier Nottelet, Jean de Piépape,' Le Trapèze, Université de
Picardie, Amiens, 1999
|
|
 |